Een galerie voor realistische kunst. Waarom?

“Oude meesters” noemt men de beste kunstenaars, vooral schilders, uit de 14e tot en met de 17e eeuw. Uit de renaissance kennen we uit Italië bijvoorbeeld Michelangelo, Leonardo da Vinci, Rafaël en Titiaan en uit Duitsland Albrecht Dürer. Nederland is wereldberoemd om zijn “Hollandse meesters”. Schilders als Rembrandt van Rijn, Frans Hals, (←) Johannes Vermeer, Jan Steen en Jacob van Ruisdael. Zij leefden en werkten in de ”Gouden” (17e ) eeuw. Kunstenaars bereikten een ongekend hoog niveau. Ook in de negentiende eeuw presteerden de leden van de Haagse School, zoals de broers Jacob en Willem Maris, Mauve en Mesdag opmerkelijk goed, in navolging van bekende Franse impressionisten als Monet, Renoir en Degas. Aanvankelijk in hun voetsporen vond Vincent van Gogh zijn geheel eigen weg. In de eerste helft van de twintigste eeuw probeerden de Groninger schilders van “De Ploeg” met hun expressionistische werken het kunstlandschap in Nederland om te ploegen. Al deze schilders hadden één ding gemeen: zij werkten naar de werkelijkheid. Dus realistisch. Bovendien waren zij zó vakbekwaam dat zij met recht meesters in hun vak genoemd kunnen worden.

Maar tijden veranderden. In de Westerse kunst van na de Tweede Wereldoorlog vierde het postmodernisme hoogtij. Alles kon en alles mocht. Alleen “realistisch” werd na 1945 vooral geassocieerd met nazistische en communistische propaganda en kreeg daardoor een negatieve klank. Maar met het badwater werd ook het kind weggegooid. Ambachtelijke vaardigheden werden ondergeschikt aan het concept (idee). Performances, happenings en installaties deden hun intrede, later aangevuld met allerlei digitale toepassingen. Experimenten werden belangrijker dan het eindproduct. Abstract, vaag of onbegrijpelijk leek soms de enige norm. Dat alles leidde tot verlies van begrip, waardering en respect voor kunst bij een zeer groot deel van de bevolking. Moderne kunst werd elitair. Tegen die trend in ontstond in Noord-Nederland een wedergeboorte van de “klassieke” realistische kunst. Aan de Groninger kunstacademie Minerva - en later aan de ook Groninger Klassieke Academie - werden schilders en beeldhouwers opgeleid die trouw bleven aan de zichtbare werkelijkheid. Vaak noemen we hun kunst realistisch, maar direct herkenbaar zou je misschien beter kunnen zeggen. Ambachtelijkheid, vakmanschap en technische beheersing zijn daarvoor voorwaarden, kwaliteit is daarvan het resultaat.

Vooral in het noorden van Nederland, in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe, wonen en werken veel ‘klassiek' geschoolde kunstenaars (maar ook zeer bekwame autodidacten), meer dan in welke andere regio dan ook. Eén van de bekendste is Henk Helmantel (→). Zijn stillevens lijken zó uit de Gouden Eeuw te komen. Maar er zijn ook kunstenaars die meer impressionistisch (Jentsje Popma, Friesland), expressionistisch (Arie Zuidersma, Drenthe) of zelfs magischrealistisch (Diederik Kraaijpoel, Groningen) werkten. En er komen er steeds meer: kunstenaars die (weer) realistisch werken. Die vakmanschap en technische beheersing weten te koppelen aan creatieve verbeeldingskracht. Zij zijn de ‘nieuwe meesters’. Hun kunstwerken exposeren wij in onze galerie. En dat werk spreekt voor zich: kunst die écht wat voorstelt.